Poppenhuis

23 Oktober 2017

Door Chantal Huijgen, Coördinator Geestelijke Zorg..........

 

In maart van dit jaar vond de TEFAF (The European Fine Art Fair) weer plaats in Maastricht. Een grote beurs met allerlei uiteenlopende kunstvoorwerpen. Het schijnt dat het vliegveld Maastricht in die week overspoeld wordt door privé vliegtuigen van de rijken der aarde die op de TEFAF hun slag kunnen slaan.

Normaalgesproken gaat dit evenement geheel langs mij heen. Totdat er in het nieuws kwam dat er een bijzonder object te koop werd aangeboden: een poppenhuis.

Direct kwam er een  jeugdherinnering boven. Alsof het gisteren was. Als klein Brabants meisje liep ik regelmatig een aantal straten verder naar een deftige mevrouw uit Den Haag. Die mevrouw had iets heel moois in haar huis, waar ik geen genoeg van kon krijgen: een antiek poppenhuis. Hooggespannen belde ik aan. Het was altijd lang wachten voor de deur werd opengedaan. Mijn hart klopte in mijn keel en als de deftige dame thuis bleek te zijn, zette ze de deur op een kiertje en vroeg: “Wat is er kind?”. Dan antwoordde ik stamelend of ik even naar het poppenhuis mocht kijken.

Het pronkstuk stond vlak naast de voordeur, in een kleine gang. Zo’n oud poppenhuis op palen. De begane grond van het huis was zo ongeveer ter hoogte van mijn kin, dus ik moest altijd een stapje achteruit doen om het goed te kunnen zien. Wat een genot: alles, en dan ook werkelijk alles ieniemienie zo klein. Kleine tafeltjes en stoeltjes, een klein stapeltje beddengoed, kleine pannetjes in de keuken, een babybedje, kaarsenkandelaars, alles wat er in een sjiek huishouden uit de zeventiende eeuw te bedenken valt, was er te zien. Echt goed zien kon ik het niet. Niet alleen omdat ik te klein was, maar ook omdat ik me een beetje weggekeken voelde. Het leek wel of mevrouw mij met een enige tegenzin binnenliet. De deur bleef op een kier, alsof ze zeggen wilde: ga vlug maar weer weg. Dus verder dan de voordeurhal kwam ik nooit.

Later kwam ik in het Rijksmuseum waar dit soort poppenhuizen ook te bewonderen is. Daar is het beter geregeld dan bij mevrouw B: een stevige houten trap voor het poppenhuis zorgt ervoor dat je alles op ooghoogte kunt bewonderen. Nog steeds is dat het eerste waar ik naartoe snel als ik in het Rijksmuseum kom.

En telkens als het gaat over zeventiende eeuwse poppenhuizen overvalt mij dat gevoel van toen: stappen in een wereld van vroeger, waar alles klein en georganiseerd leek te zijn. Maar ook de tijd van verwondering en onbegrip. Verwondering voor alle schoonheid en knap vakwerk van de makers van het poppenhuis. Onbegrip voor die Haagse mevrouw waar ik in mijn hart een beetje bang voor was. Vond zíj het dan niet leuk dat ik kwam kijken? De deur ging wel open maar van harte ging het nooit.

 

Als ik later zo oud word als mevrouw B. en de buurtkinderen komen aan de deur, dan zijn ze van harte welkom en laat ik ze wel verder dan alleen dan het kleine halletje, poppenhuis of geen poppenhuis.